

1. Zet de lading altijd vast, ook voor korte afstanden. | |
2. Let op de maximale belastbaarheid van de veiligheidsonderdelen. | |
3. Voorzie uw bestelwagen van sjorgordels, sjornetten, antislipmatten, sperstangen en andere hulpmiddelen om de lading te verankeren. | |
4. Denk eraan dat gestapelde vrachtstukken bij het openen van de deur plotseling naar buiten kunnen vallen als ze niet speciaal zijn vastgemaakt. | |
5. Beveilig de lading even consequent als u zichzelf beveiligt. | |
6. Gebruik de in uw bestelwagen ingebouwde voorzieningen voor ladingverankering. | |
7. Denk er bij open laadbakken aan dat delen van de lading door de rijwind kunnen wegwaaien. | |
8. Pas uw rijstijl aan het gewijzigde rijgedrag van de beladen bestelwagen aan. | |
9. Let op het maximale laadvermogen en de toelaatbare asbelasting van uw bestelwagen. | |
10. Plaats zware vrachtstukken altijd onder. | |
11. Zet hoge lading altijd goed vast, zodat deze niet omvalt. | |
12. Denk erom dat de scheidingswand geen vervanging kan zijn voor de nodige extra beveiliging van de lading. | |
13. Beveilig gevaarlijke goederen bijzonder zorgvuldig. | |
14. Beveilig de lading op een aanhanger even goed als op de laadvloer van uw bestelwagen. | |
15. Zet de lading op het dak altijd bijzonder goed vast. | |
16. Voorkom leemten in de lading of beveilig ze. | |
17. Vervoer de lading uitsluitend in de laadruimte en niet in de bestuurderscabine of passagiersruimte. | |
18. Controleer regelmatig de luchtdruk van de banden van uw bestelwagen. | |
19. Denk eraan dat u uw lading voor een noodstop, uitwijkmanoeuvres en een slecht wegdek moet beveiligen. | |
20. Let bij het laden op een evenwichtige lastverdeling. |
















